De Labrador Retriever


De labrador | Geschiedenis | Rasstandaard | Kleurvererving | Bloedverwanten


De Labrador Retriever

De reden waarom de Labrador nog altijd zo populair is, is zijn vermogen om door de jaren heen in alle soorten terrein te kunnen werken en de titel veelzijdige jachthond is daarom ook absoluut op hem van toepassing.

De Europeanen erkennen al van in het begin van deze eeuw de veelzijdige talenten van deze allround hond. Al tijdens de Eerste Wereldoorlog werden er in het Duitse leger enkele labradors opgeëist bij de adel en bij jagers om als oorlogshonden te dienen. Zij moesten berichten overbrengen, geneesmiddelen transporteren en naar mensen zoeken die bedolven waren onder het puin.

Hun zenuwsterkte en belastbaarheid werd ook door de opleiders van de eerste blindengeleidehonden naar waarde geschat. Maar ook voor andere opdrachten toonde de leergierige allround hond zich ideaal. Met zijn fantastische reukzin spoort hij verdronken mensen onder water op en sleept hij mensen die op zee in nood geraakt zijn veilig aan land. Na een lawine, aardbeving of andere natuurramp wordt hij ingezet bij het zoeken naar de bedolven slachtoffers. Enkel voor bewakingsdiensten is de labrador verreweg ongeschikt.

De allerbelangrijkste eigenschap is door de jaren heen door zorgvuldig en selectief fokken vastgehouden en versterkt. De natuurlijke aanleg van een labrador om te apporteren is zo sterk, dat het bij een puppy al tot uiting komt. Een andere innemende eigenschap van het ras is de onvermoeibare toewijding aan mensen. De Labrador is op zijn best in het gezelschap van mensen. Zijn toewijding en geduld maken hem tot een betrouwbare speelkameraad voor de kinderen.

Er zijn maar weinig rassen die het doorzettingsvermogen en de moed van de Labrador bezitten. Hij verwierf zijn reputatie door zijn vermogen de ontberingen van een dag in het jachtveld te doorstaan. Of hij nu eenden moet apporteren uit ijskoud water op een winterdag of fazanten moet opstoten uit duindoorns, braamstruiken, bietenvelden of uit welk andere soort terrein dan ook, de Labrador doet wat er van hem verwacht wordt.


Geschiedenis
De Labrador Retriever komt van oorsprong uit de Canadese streken Labrador en Newfoundland. Een beschrijving van deze honden, die in 1822 aanwezig waren in deze streken, is terug te vinden in de door de reiziger W.E. Cormach geschreven stukken, die de honden die hij hier zag lopen "kleine waterhonden" noemde. In die periode kwam het handelsverkeer op tussen Engeland en de Canadese streken. Hierdoor kwamen de eerste honden uit St. John (Newfoundland) naar de havenplaatsen in het Engelse graafschap. Er werden verschillende benamingen gebruikt voor deze honden, te weten "Newfoundlander, Lesser Newfoundlander en St. Johnshond". Wanneer de naam Labrador precies werd gebruikt in plaats van St. Johnshond is niet precies bekend, maar het moet in het begin van de negentiende eeuw zijn geweest want in 1839 nam de hertog van Buccleuch zijn Labrador "Moss" en Lord Home zijn hond "Drake" mee op hun jacht. Zij noemden toen hun honden al Labradors.

Het verhaal gaat dat de tweede Graaf van Malmesbury (1778-1841) een "Labrador" op een vissersboot zag en meteen regelde dat handelaren er een aantal voor hem meebrachten vanuit Newfoundland. De Hertog was zo onder de indruk van deze honden en hun apporteertalent dat hij besloot zijn fokkerij zich geheel te wijden aan de ontwikkeling en instandhouding van dit ras. Zijn opvolger, de derde Graaf van Malmesbury (1807-1889) zette dit voort. Helaas werden al snel anderen zich bewust van dit ras, die weinig aandacht gaven aan het zuiver houden van het ras. Echter bleef de Malmesbury-lijn gedurende vele jaren raszuiver. Vol overgave probeerden de adellijke families het ras te verbeteren. In die tijd werden er veel kruisingen gemaakt met naar alle waarschijnlijkheid de Pointer, Setter, Harrier en ook met "het apporteertalent van die tijd" de Flatcoat Retriever.

De hertog van Buccleuch, de graaf van Malmesbury en Sir Richard Graham hadden intussen gerenommeerde kennels opgebouwd. Zij maakten in die periode voor het eerst nauwkeurige aantekeningen van de fokresultaten en probeerden zo zuiver mogelijk, dus zonder kruisingen, te fokken. Aan het einde van de 19e eeuw werd het importeren van honden uit Newfoundland en Labrador beëindigd. Door twee wetten was het niet meer mogelijk honden uit deze streken te halen, namelijk de quarantaine-wet die de import van alle zoogdieren naar Engeland verbood en een belastingdecreet omtrent teven uit Newfoundland, zodat fokkers alle geboren teefjes doodden. Eigenlijk was dit heel goed voor het Labrador-ras, omdat fokkers in Engeland nu wel raszuiver moesten gaan fokken met hun eigen honden.

In 1903 werd de Labrador Retriever door de Engelse Kennel Club erkend, maar toen bestond er nog geen officiële rasstandaard. Gelukkig waren de liefhebbers toen in hoofdzaak geïnteresseerd in de jachteigenschappen van de hond en konden zij volgens eigen inzichten hun fokkerij voortzetten. Aan hen hebben wij de veelzijdige hond die wij tegenwoordig kennen als de Labrador Retriever te danken.

Na onderzoek blijkt dat al in 1860 de eerste Labrador op een tentoonstelling te zien was. Maar zij droegen weinig bij tot het succes op de tentoonstellingen. Voor hen was er maar één ding belangrijk en dat was het apporteervermogen. Om deze kwaliteiten met andere honden te meten begonnen de liefhebbers voor het eerst in 1880 Retriever-wedstrijden te houden. Deze steeds sterker wordende competitie noodzaakte de fokkers zich meer te verdiepen in het verbeteren van de waardevolle eigenschappen van hun honden. Deze gezonde competitie vormde de sterke basis voor de goede werkeigenschappen die we nu in onze honden terugvinden.


Rasstandaard

Algemeen

Sterk gebouwd, kort in lendenen, bijzonder actief, breed in schedel, breed en diep in borst en ribben, breed en sterk in lendenen en achterhand.

Typische raskenmerken

Goed temperament, erg behendig. Buitengewoon goede neus, zacht in de mond, uitgesproken liefhebber van water. Een toegewijde en zich gemakkelijk aanpassende metgezel.

Tot de meest uitgesproken karakteristieken van de Labrador Retriever behoren zijn korte, dichte weerbestendige vacht; een 'otter'staart, een mooi gesneden hoofd met een brede achterschedel en een duidelijke stop, krachtige kaken en de vriendelijk ogen die karakter, intelligentie en temperament uitstralen.

Bovenal moet de Labrador Retriever een evenwichtige hond zijn, in staat om zich vrij te bewegen in de ring of zonder grote inspanning zijn werk te doen in het veld. De typische Labrador bezit stijl en kwaliteit zonder raffinement, en substantie zonder lompheid of logheid. De labrador wordt primair gefokt als jachthond, structuur en kracht zijn dan ook van groot belang.

Temperament

Intelligent, levendig en gezeglijk, met een sterke wil zijn baas te behagen, nooit agressief tegen mens of dier. Vriendelijk karakter, met geen spoor van agressie of ongepaste schuwheid. Het temperament van de Labrador is een even groot kenmerk van het ras al de 'otter'staart. Agressiviteit tegen mensen of andere dieren, of enig teken van schuwheid bij een volwassen hond, moet streng worden aangepakt.

Hoofd

Het hoofd heeft een brede schedel met een duidelijk stop, scherp besneden zonder vlezige wangen. Kaken middelmatig lang, krachtig en niet spits toelopend. Neus breed, neusgaten goed ontwikkeld.

Ogen

De ogen zijn middelmatig groot, met een intelligente en vriendelijke uitdrukking. De kleur is donkerbruin bij zwarte en gele labradors en bruin en hazelnootkleurig bij chocoladekleurige honden. De oogranden zijn zwart bij zwarte en gele labradors en bruin bij chocoladekleurige. Oogranden zonder pigment zijn een diskwalificatie. Zie verder erfelijke aandoeningen.

Oren

Niet groot of zwaar, dicht tegen het hoofd aanliggend en vrij ver naar achteren geplaatst.

Mond

Kaken en gebit sterk met een volmaakt, regelmatig en compleet scharend gebit, dat wil zeggen dat de bovenste tanden net over de onderste tanden heen vallen en recht in de kaak staan. Na het wisselen, de hond is dan vijf à zes maanden, is het complete gebit voorzien van 42 elementen. 12 snijtanden (incisivi), 4 haaktanden (caninus), 16 premolaren en 10 molaren.

Nek

Droog, sterk, krachtig, geplaatst op goedliggende schouders. Een droge nek wil zeggen dat de huid geen ruime plooien mag hebben. De nek moet voldoende lengte hebben om het voor de hond mogelijk te maken wild te apporteren. De nek moet met een matige boog sterk uit de schouders oprijzen. Een korte, dikke nek of een lange, dunnen hals is incorrect.

Lichaam

De hoogte van een Labrador reu moet 56-57 cm zijn. Teven meten 54-56 cm.

Borstkas

van goede breedte en diepte, met goed gewelfde, tonvormige ribben. Horizontale boven belijning. Lendenen breed, kort en sterk.

Voorhand

De voorhand moet gespierd, goed gecoördineerd en in balans met de achterhand zijn. De schouders zijn lang en schuinliggend. Naar binnen of naar buiten gerichte ellebogen belemmeren de bewegingen en zijn ernstige fouten.

Achterhand

De achterhand is breed, gespierd en goed ontwikkeld van de heup tot aan de hak, met goed gehoekte kniegewrichten en laaggeplaatste hakken. De achterhand is beslist niet naar de staart aflopend.

Voeten

Rond, compact, goed gebogen tenen en goed ontwikkelde voetzolen. Naar binnen of naar buiten gedraaide voeten zijn ernstige fouten.

Staart

De staart wordt vrij uitgebreid beschreven in de standaard. Deze is ook zeer kenmerkend voor de Labrador. Erg dik bij de aanzet en geleidelijk toelopend naar de punt, van middelmatige lengte, vrij van bevedering, maar rondom dik bekleed met een korte, dikke, dichte vacht, waardoor de ronde vorm ontstaat die beschreven wordt als "otterstaart". Mag vrolijk gedragen worden, maar mag niet over de rug krullen.

Gang/beweging

Vrij, voldoende bodem beslaand, recht en zuiver zovel voor als achter.

Vacht

Kenmerkend voor het ras, kort, dicht, zonder golven of bevedering, vrij hard aanvoelend, weerbestendige ondervacht.

Kleur

Geheel zwart, geel of lever/chocoladekleurig. De gele kleur kan variëren van licht roomkleurig tot vossenrood. Kleine witte vlek op de borst is toegestaan.

Fouten

Iedere afwijking van de hierboven vermelde punten moet als fout worden aangemerkt, de mate waarin moet in verhouding tot de ernst van de fout staan. Reuen moeten twee normaal uitziende testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald.


Kleurvererving

Wanneer je hond zwart is, is zijn type I, II, III, of IV.

I = Homozygoot zwart
II = Heterozygoot zwart, vererft ook geel
III = Heterozygoot zwart, vererft ook choc
IV = Heterozygoot zwart, vererft ook geel en choc


Wanneer je hond chocolate is, is zijn type VIII of IX.

VIII = Homozygoot chocolate
IX = Heterozygoot chocolate, vererft ook geel






Wanneer je hond geel is, met een zwarte neus is zijn type V of VI.

V = Heterozygoot geel, vererft ook zwart
VI = Heterozygoot geel, vererft ook zwart en choc






Wanneer je hond geel is, met een leverkleurige neus is zijn type VII.

VII = Heterozygoot geel, vererft ook choc






Je kunt bovenstaand schema gebruiken ter ontwikkeling van je fokstrategie. De buitenste ring toont de zichtbare vachtkleur, terwijl het kleine rondje rechtsboven deze ring de kleur van de neus aangeeft (zwart of leverkleurig). De binnenste ring toont de verborgen kleur(en), waarvan de hond drager is. De tabel laat zien wat het resultaat is wanneer je bepaalde types met elkaar kruist. Bij voorbeeld: wanneer jouw hond type VI is, is hij een gele Labrador met een zwarte neus, die zowel zwart als chocolate vererft. Wanneer je deze hond kruist met een type VIII, zal het nest voor de helft uit zwarte en voor de helft uit chocolate puppy's bestaan. Let wel, dit zijn gemiddelden, gebaseerd op de wet van de waarschijnlijkheid, die incidenteel kunnen afwijken.


Bloedverwanten

Naast de Labrador Retriever onderscheidt men tegenwoordig nog 5 andere retriever-rassen. Alle retrievers worden door de FCI in één groep samengebracht namelijk Groep VIII: Retrievers en Waterhonden.

Golden Retriever

Dit is een vriendelijke, levendige en betrouwbare hond met een evenwichtige
aard. Hij heeft een natuurlijke aanleg om te werken en hij kan uitstekend
apporteren. Op grond van zijn belastbaarheid en aanpassingsvermogen is hij
ook de ideale familievriend.


Nova Scotia Duck Tolling Retriever (kortweg Toller)
De toller is een doorgaans vlugge, waakzame hond. Hij is heel intelligent, leerzaam en heeft een groot uithoudingsvermogen. Hij heeft een uitgesproken talent om te apporteren en staat altijd klaar om te spelen.



Curly Coated Retriever
De curly is een fijngevoelige en vriendelijke gezelschapshond. Tegenover vreemden is hij wat terughoudend. Hij heeft een uitgesproken aanleg als waakhond, zonder agressief of bijtziek te zijn. Hij kan tegen heel wat belasting. Tijdens de jacht werkt hij graag zelfstandig.



Chesapeake Bay Retriever
De chesapeake wordt gewaardeerd voor zijn opgewekte, vrolijke aard. Hij heeft veel uithoudingsvermogen en werkt bij de jacht graag zelfstandig. Hij is niet alleen een goede jachthond, maar ook een moedige waakhond voor zijn familie.



Flatcoated Retriever
De flatcoat is een vriendelijke levendige maar gevoelige hond. Hij is een uitstekende jachthond en wegens zijn tolerante aard is hij ook een goede familiehond.