Gezondheid

Heupdysplasie
Elleboogdysplasie
Oogafwijkingen
Hondenziekte/ziekte van carré
Parvo
Besmettelijke leverziekte
Kennelhoest
Hondsdolheid
Ziekte van Weil
Allergie
Epilepsie
Melkliertumoren
Oorontstekingen
Patella Luxatie
Tandsteen
Vettumoren
Voorhuidontsteking


Heupdysplasie
Heupdysplasie is een door erfelijke factoren en uitwendige invloeden bepaalde  ontwikkelingsstoornis van de heupgewrichten. Sommige honden ondervinden hiervan ernstige hinder. Er zijn echter ook honden met meer of minder ernstige misvormingen van de heupgewrichten die daarvan geen last lijken te hebben. 
De beoordeling van het gangwerk van deze honden geeft onvoldoende informatie over de toestand van de heupgewrichten. Meer informatie hierover kan verkregen worden met behulp van een röntgenfoto. 

Voor een goede beoordeling van de heupgewrichten is een röntgenfoto van de hond, in rugligging, nodig: 
-een opname met gestrekte achterbenen (positie I)

Terwille van de betrouwbaarheid van de beoordeling worden er hoge eisen gesteld aan de kwaliteit van deze röntgenfoto. Wanneer niet aan deze eisen is voldaan wordt de foto teruggestuurd naar de dierenarts, die de foto gemaakt heeft, met een aantekening over wat er aan mankeert en een verzoek om een nieuwe foto. Een dergelijk verzoek wordt direct na de beoordeling van de foto verzonden en is dus uiterlijk twee weken na ontvangst door de HD­Commissie, terug bij de dierenarts. Deze kan dan contact opnemen met de eigenaar van de hond om een afspraak te maken voor het vervaardigen van een nieuwe HD-foto. Het beoordelen van deze nieuwe HD-foto wordt niet opnieuw in rekening gebracht, 

Op het Rapport-Heupdysplasie-Onderzoek treft u de definitieve beoordeling aan en een aantal gegevens die een verklaring geven voor de definitieve beoordeling. De aanduiding HD ­ (= negatief) betekent dat de hond röntgenologisch vrij is van heupdysplasie, wat echter niet betekent dat de hond geen "drager" van de afwijking kan zijn. 
HD Tc (= overgangsvorm) betekent dat op de röntgenfoto geringe veranderingen zijn gevonden, die weliswaar toegeschreven moeten worden aan heupdysplasie maar waaraan in het kader van de fokkerij geen directe betekenis kan worden toegekend. De aanduiding HD +/- (= licht positief) of HD + (= positief) betekent dat bij de hond duidelijke veranderingen passend in het ziektebeeld van HD zijn gevonden. Wanneer de heupgewrichten ernstig misvormd zijn wordt dit aangegeven met HD ++ (= positief in optima forma). 

De Raad van Beheer heeft besloten zich te conformeren aan de afspraak die binnen de FCI is gemaakt ten aanzien van een internationale normering en certificering van het Heupdysplasie onderzoek. Dat betekent dat per 1 mei 2002 alleen nog de FCI normeringen A, B, C, D en E zullen worden gehanteerd 
Dit betekent dat in Nederland, net als in het buitenland, de beoordeling op één foto (positie 1, gestrekte positie) zal plaatsvinden. 


Elleboogdysplasie
ED is een vervorming van het ellebooggewricht. Het is een gevolg van degeneratie van het gewrichtskraakbeen en er zijn drie belangrijke groeistoornissen als oorzaak te onderscheiden. Deze drie groeistoornissen zijn: 
Los Processus Anconeus (LPA)
Los Processus Coronoïdeus (LPC)
OsteoChondritis Dissecans (OCD)

De rassen die één of meerdere van deze aandoeningen krijgen zijn middelgrote tot grote snelgroeiende rassen. Oorzaak van deze groeistoornissen: te snelle groei waarbij òf stoornissen optreden in de vorming van kraakbeen òf in de harmonieuze groei van botdelen. Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgemaakt dat het om erfelijke aandoeningen gaat met een vergelijkbare erfelijkheidsgraad als die van heupdysplasie. 


Los Processus Anconeus (LPA) 
Er is er sprake van een los stukje bot in het gewricht, wat aanleiding geeft tot irritatie. Dit gaat over in pijn en de hond zal mank gaan lopen. Als beide ellebogen aangedaan zijn dan kan het kreupel lopen soms moeilijk waargenomen worden. De eerste symptomen kunnen zichtbaar zijn vanaf de 4-5e levensmaand. De instabiliteit van de elleboog, veroorzaakt door het losse stukje bot, zal resulteren in artrose van het gewricht. Met behulp van röntgenfoto's kan dit definitief worden vastgesteld. Een operatie is noodzakelijk om het probleem te verhelpen. In bijna alle gevallen zal de artrose, ondanks de  chirurgische behandeling, blijven bestaan. LPA is hoogstwaarschijnlijk erfelijk. 


Los Processus Coronoïdeus (LPC) 
Ook dit is een los stukje bot in het ellebooggewricht. Het is de meest voorkomende oorzaak van elleboogsdysplasie bij de hond. Het stukje bot is afgebroken door overbelasting of het oppervlakkige gewrichtskraakbeen is beschadigd geraakt. De hond is kreupel nadat hij enige tijd gelegen heeft of na inspanning. De klachten kunnen ontstaan vanaf de 4e levensmaand. De hond draait de ondervoet naar buiten en de elleboog wordt tegen het lichaam gedrukt om de poot te ontlasten. Zijn beide ellebogen aangetast dan wordt het moeilijker te constateren. De aandoening geeft aanleiding tot irritatie van het ellebooggewricht en resulteert in artrose. Met behulp van artroscopie is de diagnose zeker te stellen. Men kan de elleboog opereren, maar ook kan men het proberen met medicijnen en rust. 


OsteoChondritis Dissecans (OCD) 
Dit is één van de drie oorzaken van elleboogdysplasie. De aandoening komt bij enkele middelgrote tot grote rassen voor en lijkt veel op het beeld van LPC. Op de bovenarm, dicht bij het gewricht, zien we een beschadiging van het gewrichtskraakbeen. De hond kan vanaf de 4-5e levensmaand kreupel gaan lopen. Ook deze aandoening kan beiderzijds voorkomen. Met behulp van röntgenfoto's is de aandoening goed op te sporen. Bij een snelle chirurgische behandeling is de prognose redelijk tot goed, in ieder geval beter dan die van de LPC. Voorkomen van dit probleem kan alleen door fokmaatregelen te nemen. 


Oogafwijkingen
De vermindering of het verdwijnen van het zicht bij honden kan door uiteenlopende oorzaken ontstaan. Enkele van de oorzaken zijn: 
ondoorzichtigheid van het hoornvlies,
ondoorzichtigheid van de lens (cataract),
netvliesverval (bijv. Progressieve Retina Atrofie)


Entropion en Ectropion
Ondoorzichtigheid van het hoornvlies kan ontstaan door een infectie of door irritatie van het hoornvlies van buitenaf. Deze ondoorzichtigheid is meestal van tijdelijke aard, maar kan soms permanent worden. Naast zand en andere stuivende materialen zijn ook entropion en ectropion veroorzakers van oogirritaties. Bij entropion krult het ooglid enigszins naar binnen, zodat de haartjes op de oogleden het hoornvlies irriteren. Bij ectropion, het naar buiten krullen van het ooglid, kan een deel van het tere bindvlies bloot komen te liggen. Stof en bacteriën hebben dan vrij toegang, zodat het bindvlies ontstoken kan raken, waarna ook het hoornvlies wordt aangetast. Entropion en ectropion kunnen vrij gemakkelijk verholpen worden door operatief ingrijpen. Er  zijn evenwel aanwijzingen dat de afwijkingen erfelijk worden overgedragen, zodat de fokker rekening moet houden met deze afwijking. 


Cataract
Cataract (grijze staar) is het troebel worden van de lens van het oog. De lens (7) bevindt zich achter de pupilopening (4). De lens is opgehangen aan lensbandjes en spiertjes (6). Met behulp van de spiertjes wordt de lens platter of boller gemaakt, zodat er altijd een scherp beeld op het netvlies (4) wordt geprojecteerd. De hond kan daardoor van dichtbij en in de verte goed zien. 

Schema van de oogbol
1 hoornvlies, 2 sklera(het harde oogvlies), 3 vaatvlies, 4 netvlies, 5 iris, 6 lensbandje, 7 lens, 8 voorste oogkamer, 9 achterste oogkamer, 10 pupil, 11 glasachtig lichaam, 12 uittredeplaats van de oogzenuw 

Als de lens door een gehele of gedeeltelijke vertroebeling minder doorschijnend wordt, kunnen de lichtstralen niet goed of helemaal niet meer worden doorgelaten. Cataract is te herkennen doordat de pupilopening niet meer als een kleine, zwarte opening zichtbaar is, maar grijs/witachtig is geworden. Deze verandering is vooral bij schemering goed waar te nemen, omdat de pupilopening dan groter is. Cataract kan op twee manieren ontstaan: ze kan zijn verworven of aangeboren. De cataract heeft verschillende verschijningsvormen: de meeste daarvan zijn progressief (d.w.z. voortschrijdend) en veroorzaken afname van het gezichtsvermogen. 

Verworven cataract kan zich bijvoorbeeld ontwikkelen:
-door algemene ziekten zoals diabetes mellitus (suikerziekte)
-door voedingstekorten; -door oogziekten zoals een ontsteking, glaucoom of PRA; 
-door verwondingen aan het oog (bijv. door hitte, straling, een rietstengel of een hagelkorrel). 

Tot de aangeboren (erfelijke) cataract hoort o.a. de "ouderdomscataract die als een veroudering van de lens is te beschouwen. Daarnaast komen met name bij de retrievers twee andere vormen van erfelijke cataract voor. Allereerst een niet-progressieve, polaire vorm, waarbij sprake is van een niet voortschrijdende troebeling in het centrum van de lens op het kapsel aan de achterzijde: deze vorm, die het meest voorkomt, heeft weinig tot geen effect op het gezichtsvermogen en verschijnt meestal op een leeftijd van zes tot twaalf maanden. De andere vorm is wel progressief en de honden die aan deze vorm van cataract lijden worden op een leeftijd van ongeveer 18 maanden blind. In sommige gevallen kan de hond aan het ene oog de niet-progressieve en aan het andere oog de progressieve vorm van erfelijke cataract hebben. 

De meest voorkomende vormen van cataract worden primaire cataract genoemd. Dit betekend dat alleen de lens aan verandering onderhevig is; de andere onderdelen van het oog blijven normaal. Als door een eventuele operatie de cataract wordt weggenomen, krijgt de hond het gezichtsvermogen weer terug, al zal dit niet meer zo goed zijn als voordat de cataract begon. 
De bij aangetroffen erfelijke vormen van cataract worden toegeschreven aan een dominant gen dat zich steeds anders kan uiten. Over de precieze wijze van vererving en over een mogelijk verband tussen de twee bovengenoemde vormen van cataract bestaat voorlopig geen zekerheid. Om die reden is het wenselijk ook niet te fokken met ouderdieren die aan de niet­ progressieve vorm van cataract lijden.


Progressieve Retina Atrofie (PRA)
Het netvlies (retina) is de binnenste laag van de oogbol (4). Dit vlies bestaat uit een groot aantal lichtgevoelige zenuwcellen die lichtprikkels kunnen omzetten in zenuwprikkels. 
Deze worden vervolgens via de oogzenuw naar de hersenen doorgestuurd om daar te worden vertaald in een visueel beeld. Er zijn twee soorten lichtgevoelige zenuwcellen. 
1. De kegeltjes, deze liggen vooral centraal in het netvlies en dienen voornamelijk voor het zien van kleur. 
2. De meer aan de rand van het netvlies gelegen staafjes dienen voor het waarnemen van verschillende gradaties grijs. 

Bij PRA treedt verval van het zintuigweefsel op. De omvangsafname (atrofie) van de retina (netvlies) is progressief, d.w.z: dat er steeds meer weefsel komt te vervallen totdat de hond geheel blind is. 
Men onderscheidt bij PRA twee hoofdvormen.
De centrale vorm (dagblindheid of tunnelblindheid) begint rond de plaats waar de gezichtszenuw het netvlies verlaat (12). 
In eerste instantie worden vooral de kegeltjes aangetast. De hond gaat in het begin van de aandoening overdag minder scherp zien. Het proces gaat verder en na het atrofiëren van de kegeltjes worden ook de staafjes aangetast. De centrale vorm van PRA vertoont waarschijnlijk een dominant patroon van overerving. 

De gegeneraliseerde vorm (nachtblindheid) begint aan de rand van het netvlies in zowel de staafjes als de kegeltjes en leidt uiteindelijk tot volledige blindheid. De overerving van deze vorm van PRA lijkt tot nu toe een enkelvoudig, recessief patroon te volgen. 

Om een beter beeld te krijgen van het verloop, de gradaties en de vererving van de verschillende vormen PRA en erfelijke cataract is het raadzaam de honden al op jonge leeftijd te laten controleren. Het onderzoek is vrij eenvoudig en in enkele minuten gebeurd. Om de toestand van het oog aan te geven, gebruikt men de volgende uitslagen. 
-Vrij (of voorlopig vrij), d.w.z. dat er geen afwijkingen gevonden zijn die passen in het kader van PRA of cataract. 
-Voorlopig niet vrij, er zijn dan enkele kleine afwijkingen waargenomen die mogelijk wijzen op PRA of cataract. 
-Niet vrij, wanneer er kleine afwijkingen in het oog worden gevonden die passen in het kader van PRA of cataract. 
Uit het onderzoek kan ook blijken dat de hond lijdt aan PRA of cataract. Er worden dan duidelijke afwijkingen geconstateerd die passen in het beeld van PRA of cataract. 
Honden die men gebruikt om ermee te fokken, moeten jaarlijks worden onderzocht. Door te fokken met ouderdieren die vrij zijn van (erfelijke) oogaandoeningen kan het aantal gevallen van PRA en cataract worden teruggedrongen. Helemaal uitbannen is zeer moeilijk, omdat uit "vrije" ouders nakomelingen kunnen voortkomen die "niet vrij" zijn en omdat er ook een niet erfelijke oorzaak voor de oogafwijking kan zijn. 
Om een duidelijk(er) beeld te krijgen van de precieze wijze van vererving is het daarom aan te raden zoveel mogelijk nakomelingen op de aanwezigheid van oogaandoeningen te controleren. 


Hondenziekte
ondenziekte wordt ook wel 'distemper' of 'Ziekte van Carré' genoemd. Het wordt door een virus veroorzaakt en kan vele ziektesymptomen tot gevolg hebben. Het meest op de voorgrond treden verschijnselen van het centrale zenuwstelsel, braken en diarree, longontsteking en oog- en neusuitvloeiing. Een speciale vorm van de ziekte bestaat uit huidafwijkingen waarbij een sterke verhoorning optreedt van de voetzolen en de neusspiegel. De ziekte komt, mede door het ent-programma, nog maar weinig voor in Nederland. 
De eerste enting wordt gegeven op een leeftijd tussen de zes en acht weken. Het wordt herhaald na ca. vier weken. Indien op 12 weken voor het eerst wordt  gevaccineerd, of nog later, dan dient de vaccinatie nog minimaal één keer herhaald te worden. 
Nu is het zo dat pups voordat zij geboren worden, uitgebreid in verbinding staan met het bloed van de moederhond. Als de moederhond goed, volgens schema, geënt was krijgen de pups dus afweercellen en stoffen mee van die moederhond. Op het moment dat de pups geënt worden kunnen de afweerstoffen, die ze van hun moeder meegekregen hebben, de entstof voor een deel verdrijven, waardoor de pup zelf minder antistoffen produceert. Daarom moeten pups dus vaker geënt worden om een volledige afweer te ontwikkelen. 
Tegen hondenziekte is er nog een andere mogelijkheid. Het mazelenvaccin voor mensen lijkt heel erg op het virus dat hondenziekte veroorzaakt. Wordt de pup hiermee geënt, dan kunnen de stoffen van de moeder dit niet verdrijven en bouwt de pup zelf de afweerstoffen op. Ook dit wordt wel gedaan in Nederland.


Parvo
Parvo is een virus dat de darmvlokken massaal vernietigt. Hierdoor ontstaat een beeld van hele heftige diarree (spuitdiarree) met bloed. De honden kunnen ook ernstig braken, hebben vaak hele hoge koorts en door het enorme vochtverlies raken ze heel snel uitgedroogd. Sterfte treedt veelvuldig op. Geadviseerd wordt om te beginnen met enten op een leeftijd van zes tot acht weken en om de drie tot vier weken te herhalen tot de hond ongeveer vier maanden oud is. 


Besmettelijke leverziekte
De aard van de ziekte wordt in de naam al gegeven. Het is een aandoening aan de lever. Andere benamingen zijn 'HCC' (Hepatitis Contagiosa Canis) of 'Ziekte van Rubarth'. 
De symptomen bestaan uit een ernstig ziek dier met koorts, bloedingen, braken en oogontsteking. Tijdens het genezingsproces kan een zogenaamd 'blauw oog of melkglasoog' ontstaan, dat echter wel vaak weer verdwijnt. Enting van pups met HCC-vaccin vindt voor de eerste keer plaats op een leeftijd van zes weken en dient op 12 weken herhaald te worden. Jaarlijkse herenting wordt om praktische redenen (combinatievaccins) geadviseerd. De bescherming is meestal wel langer dan één jaar. 
Naar boven


Kennelhoest
De oorzaak van kennelhoest bestaat uit meerdere micro-organismen en daarom is het beter te spreken van het kennelhoestcomplex. De symptomen kenmerken zich door een zieke hond met koorts en een harde, droge hoest die weken lang kan aanhouden. Ook geven ze hierbij wel eens wat wittig slijm op. De drie belangrijkste veroorzakers zijn de Bordetella bronchiseptica bacterie, het para-influenza virus en een adenovirus. De infectiedruk, temperatuur en ventilatie spelen een grote rol in het ontstaan van de ziekte. Niet voor niets zijn de zomermaanden de periode waarin kennelhoest het meest wordt waargenomen. In deze vakantieperiode worden veel honden in pensions, asiels en kennels ondergebracht. Vaccinatie tegen kennelhoest wordt aanbevolen voor honden die een groter risico lopen op infectie (zoals werkhonden, of honden die naar een pension gaan). Enting dient plaats te vinden, minimaal 10 tot 14 dagen voordat de hond blootgesteld wordt aan het grotere risico (bijvoorbeeld opname in een pension). Er kan begonnen worden met vaccineren op een leeftijd van zes weken. Jaarlijkse of frequentere herhaling (afhankelijk van gebruikt vaccin en infectiemogelijkheden) is noodzakelijk om de immuniteit te onderhouden. 


Hondsdolheid
Hondsdolheid (ook wel Rabiës genoemd) wordt veroorzaakt door een virus dat via het speeksel (bijten) wordt overgebracht en specifiek het zenuwstelsel aantast. Het verspreidt zich langzaam via zenuwbanen vanuit een bijtwond naar de hersenen. Eenmaal daar aangekomen zullen gedragsveranderingen (vaak agressiviteit en angstreacties) op gaan treden. Opvallend is de watervrees wat wordt veroorzaakt door slikproblemen. De ziekte is altijd dodelijk en zeer gevaarlijk voor de mens. Bij tijdig ingrijpen na een bijtwond kan de ziekte bij de mens nog tot staan gebracht worden. De eerste vaccinatie wordt niet eerder gegeven dan op een leeftijd van 12 weken. Afhankelijk van de wettelijke eisen en de gebruikte entstof wordt de enting herhaald na één tot drie jaar. Bij pups is de enting doorgaans niet langer geldig dan drie maanden. Gezien het gevaarlijke karakter van de ziekte mag er nooit afgeweken worden van de wettelijke eisen van de landen die vaccinatie tegen hondsdolheid vereisen. 


Ziekte van Weil
De ziekte van Weil, of Leptospirose, wordt in tegenstelling tot de andere ziektes, veroorzaakt door een bacterie. Bij besmette dieren ontstaan koorts, spierpijn en leverstoornissen (geelzucht). De bacteriën blijven soms maandenlang in de nieren aanwezig en worden steeds met de urine uitgescheiden. Hierdoor worden andere honden (snuffelen), of de mens (slechte hygiëne) weer geïnfecteerd. Vaccinatie van pups moet minstens tweemaal plaatsvinden, de eerste keer in het nest op een leeftijd van zes tot acht weken en de herhalingsenting op 12 weken leeftijd. Een derde enting wordt aanbevolen voor 'risico-dieren' (bijvoorbeeld jachthonden) op een leeftijd van 20 tot 24 weken. De jaarlijkse hervaccinatie dient kort voor de risicoperiode, die loopt van mei tot november, gegeven te worden. 


Allergie
Allergieën of overgevoeligheidreacties zijn een belangrijke oorzaak van jeuk en  huidklachten bij honden. De verschijnselen variëren van af en toe een beetje jeuk tot onophoudelijk bijten, likken en krabben, soms tot bloedens toe. 

De problemen worden veroorzaakt doordat de hond overgevoelig is voor bepaalde stoffen in zijn omgeving. Het best valt dit te vergelijken met hooikoorts bij de mens, ook hier is sprake van een allergische reactie op huisstof, graszaad en dergelijke. Bij honden blijken huisstof, huisstofmijten, mens- en kattenhuidschilfers het meest vaak de boosdoener. Ook voedsel kan allergieën opwekken. Dit is echter voor maar een klein deel van de overgevoeligheidsreacties verantwoordelijk. 
Als een hond in contact komt met een stof die niet in zijn lichaam thuishoort, reageert hij hierop met een afweer reactie. Er is dus sprake van een soort paniekreactie van het lichaam op een betrekkelijk onschuldige stof. Waarom dit gebeurd is nog niet helemaal duidelijk, maar de gevolgen zijn duidelijk zichtbaar: jeuk!

Het meest opvallende verschijnsel is natuurlijk jeuk. Terwijl dieren met vlooien vaak alleen jeuk hebben bij hun staart en op hun rug, zie je bij een allergie vooral jeuk aan kop, oorschelpen, poten en buik. De dieren likken en knagen aan hun poten en tussen hun tenen, schuren met de kop over de grond en krabben aan buik en oren. De huid kleurt door de voortdurende irritatie zwart en er zitten soms kleine puistjes op, die later openbarsten en kleine korstjes vormen. 

De meeste honden met jeuk hebben geen allergie. De belangrijkste oorzaak voor jeuk blijft vlooien. Ook luizen, teken, vachtmijten en schimmels kunnen huidklachten geven. Bovendien bestaan er ziekten van de huid zelf. Om vast te stellen of een dier allergisch is, is het dus van belang eerst alle andere oorzaken voor de huidproblemen uit te sluiten. Om een voedingsallergie uit te sluiten kunnen we het dier gedurende zes weken dieetvoeding laten eten. Is er verbetering dan is het een voedselallergie waarschijnlijk. Hiernaast kunnen we bij honden, net zoals bij mensen, een allergie test doen. We scheren dan een stukje huid kaal en spuiten hier een aantal stoffen in, waarvan bekend is dat ze  vaak problemen geven. Na 20 minuten kunnen we de test aflezen. In sommige gevallen is het nodig de test na 48 uur nog een keer af te lezen. Op deze wijze zien we niet alleen of een dier allergisch is, maar ook waarvoor. 

Er verschillende manieren om een allergie te behandelen. Met medicijnen is het goed mogelijk om de klachten de kop in te drukken. Dit zal meestal niet tot blijvende genezing leiden. De hond zal dus levenslang regelmatig medicijnen nodig hebben. 
Een tweede manier van behandelen is desensibiliseren. Eerst moet er achter gekomen worden wat precies de allergie veroorzaakt, dus wordt er een allergie test gedaan. Vervolgens wordt de hond gedurende enkele maanden ingespoten met een toenemende dosis van de stof die de problemen veroorzaakt. Soms moet de therapie ook langdurig worden voortgezet. Op deze wijze hopen we het lichaam aan de stof te laten wennen, waardoor na verloop van tijd de allergie afneemt. Er is hierbij ongeveer 80% kans op succes, maar hier moet wel bij opgemerkt worden dat als we niets doen er bij sommige honden spontane verbetering optreedt. Slaagt deze methode dan is het dier meestal voor lange tijd van zijn probleem verlost. Soms is het nodig om de behandeling op een later tijdstip te herhalen. 

Heeft het dier een voedselallergie dan is het zaak een soort voer te kiezen waarbij de klachten wegblijven. De simpelste oplossing is levenslang speciaal dieetvoer te geven. 

Uit het feit dat bepaalde rassen duidelijk meer problemen hebben mogen we aannemen dat het in zekere mate erfelijk bepaald is. Inmiddels is ook gebleken dat sommigen lijnen binnen een ras meer problemen hebben. Het is raadzaam terughoudend te zijn met fokken met allergische dieren. 


Epilepsie
Epilepsie kan worden onderverdeeld in: 

Primaire of idiopathische epilepsie: aanvallen zonder aantoonbare oorzaak 
Secundaire of symptomatische epilepsie: aanvallen worden veroorzaakt door een onderliggend probleem. 

Bij epilepsie is er sprake van een stoornis in de functie van de hersencellen, wat zich uit in epileptische aanvallen. Zo'n aanval kan sterk in duur en sterkte variëren. Een epileptische aanval kan men onderscheiden in: 

Petit mal:
Een milde toevalsvorm, waarbij een starende blik opvalt, de hond schud met een poot of geeft een pijngil. De aanval duurt meestal slechts een paar seconden tot een minuut. 

Grand mal:
Deze vorm van aanvallen komt het meeste voor, hierbij valt de hond om, waarbij vaak oncontroleerbare spiertrekkingen, met defecatie, urineren en kwijlen optreedt. Ook bizar gedrag als rondjes rennen en onzichtbare objecten aanvallen komt voor. Tijdens zo'n aanval is de hond zich onbewust van zijn omgeving en de toeval duurt vaak enkele minuten. 

Status epilepticus:
Dit is de zwaarste aanvalsvorm en kan enkele uren duren. Zo'n ernstige aanval kan een dodelijke afloop hebben door schade aan organen. 

Mogelijke oorzaken van epileptische aanvallen zijn o.a.:

primaire epilepsie: geen aantoonbare oorzaak

een infectie

trauma

tumor

vergiftiging

voedselallergie

metabole ziekte (suikerziekte, lever- of nierinsufficientie)

Een aanval moet altijd serieus genomen worden, omdat de kans op stikken aanwezig is. Zorg ook altijd dat de hond zichzelf niet kan verwonden tijdens een aanval. Zeker als de hond meerdere aanvallen binnen 24 uur heeft, dient men z.s.m. naar een dierenarts te gaan. 

Een compleet fysiek en neurologisch onderzoek is meestal noodzakelijk om een mogelijke oorzaak van de epileptische aanvallen op te sporen. Bloedonderzoek is hierbij vaak onmisbaar. Andere diagnostische testen zijn analyse van het ruggemergvloeistof om encephalitis (hersenvliesontsteking) uit te sluiten en een röntgenfoto, EEG (electroencephalogram) of CT-scan maken kan noodzakelijk zijn om bijvoorbeeld een tumor te detecteren. 

Als een andere aandoening dan epilepsie de oorzaak is van de aanvallen, dient de onderliggende ziekte uiteraard behandeld te worden. Vaak blijkt verandering van voeding een groot effect te hebben op het voorkomen/verminderen van epileptische aanvallen. Meestal worden anti-convulsiemiddelen gebruikt om de aanvallen te controleren. Veelal is dit Fenobarbital, bij ernstige epilepsie soms Diazepam (valium). Negatieve bijwerkingen hierbij kunnen zijn desoriëntatie, overgewicht en leverschade. Er wordt derhalve de juiste dosis voor de hond uitgezocht om bijwerkingen zoveel mogelijk te beperken. Houdt er rekening mee dat behandeling met deze middelen vaak voor de rest van het leven geldt, omdat aanvallen anders nog vaker en sterker kunnen terugkeren. Ter ondersteuning kan Tranquicur gegeven worden, om de hond iets rustiger te laten zijn. 


Melkkliertumoren
Melkkliergezwellen zijn de meest voorkomende gezwellen bij de hond. Ze kunnen zowel goed- als kwaadaardig zijn. Bij de teef voelen we knobbels onder de buik in de buurt van de tepels. 

De aandoening komt bijna alleen bij de teef voor. De dieren zijn gemiddeld 10 jaar als de gezwellen ontdekt worden. 
Meestal zijn de teven niet gesteriliseerd. Teven die rond de eerste loopsheid gesteriliseerd zijn lopen het minste risico op deze gezwellen. 

De oorzaak is, zoals bij ieder gezwel, een ontsporing van de normale celgroei. De groei van de cellen wordt door het lichaam strak in de hand gehouden. Er mogen er niet te veel of te weinig zijn. Bij gezwellen gaat de groei ongeremd door met alle gevolgen van dien. Hormonen spelen een belangrijke rol bij melkkliergezwellen. Daarom komen er bij gesteriliseerde teven (dan zijn de hormonen producerende eierstokken verwijderd) veel minder gezwellen voor.

Het is niet zo moeilijk om vast te stellen of een dier gezwellen in de melkklieren  heeft. Onder de buik, in de buurt van de tepels, zijn dan onderhuidse knobbels voelbaar. Het is helaas aan de buitenkant niet te zien of een knobbel goed- of kwaadaardig is. Een extra probleem is dat melkkliergezwellen goedaardig kunnen beginnen maar later toch kwaadaardig kunnen worden. Bij honden is ongeveer 50% van de melkkliergezwellen goedaardig. 
Bij het onderzoek letten we op grootte, plaats, aantal, verplaatsbaarheid, en of de lymfeknopen ook gezwollen zijn. 
Het is mogelijk om door het wegnemen van een stukje weefsel vast te stellen om wat voor soort gezwel het gaat. Nadeel is dat het gezwel zelf blijft zitten zodat vaak een tweede operatie nodig is. Bovendien weten we dat een goedaardig gezwel later toch nog kwaadaardig kan worden. Reden voor ons om in de meeste gevallen al het afwijkende weefsel weg te nemen. Daarnaast kunnen we lymfeklieren en longen op eventuele uitzaaiingen controleren. Dit kan door een stukje weefsel uit de lymfeklieren met een naald weg te nemen en microscopisch te onderzoeken. De longen kunnen door middel van röntgenfoto's worden beoordeeld. Helaas is het niet altijd mogelijk om vast te stellen dat er uitzaaiingen zijn. In een vroeg stadium zijn ze zo klein dat we ze op dat moment niet kunnen opsporen. 

Als er geen uitzaaiingen te vinden zijn dan is behandeling altijd zinvol. Zeker bij kwaadaardige gezwellen geldt dat hoe eerder ze weggehaald worden des te groter de kans op genezing is. 
Als er al uitzaaiingen zijn is genezing niet meer mogelijk. Het is wel mogelijk om de hond na de operatie met medicijnen te behandelen om zo het leven van de hond te verbeteren en eventueel te verlengen (afhankelijk van het soort gezwel gemiddeld een jaar). In tegenstelling tot mensen worden honden niet misselijk en krijgen ze geen haaruitval. 
Het is een fabeltje dat gezwellen harder gaan groeien als er aan geopereerd wordt en dat je ze daarom beter kunt laten zitten. Bij de operatie worden de tumoren met omringend weefsel ruim weggenomen om zeker te zijn dat al het afwijkende weefsel verwijderd wordt. Soms zullen we proberen om een complete melklijst met bijbehorende lymfeknopen te verwijderen. Dit betekent dat we alle melkklieren aan een kant wegnemen. Op deze wijze voorkomen we dat we weefsel laten zitten waar ook weer gezwellen in kunnen ontstaan. 


Oorontstekingen
Oorontstekingen zijn een veel voorkomend probleem bij honden. De honden schudden met hun kop, krabben aan hun oor en piepen soms van de pijn. De uitwendige gehoorgang kan vies en rood zijn maar ook het oor zelf (de inwendige gehoorgang) is meestal vies, rood, warm en stinkt vaak. In de meeste gevallen is er dus sprake van een ontsteking van de gehoorgang. Af en toe zien we bij onze huisdieren middenoorontstekingen. Het risico van het vele schudden en krabben is een bloedoor. U ziet een enorme zwelling van de oorschelp, die door de dierenarts behandeld of geopereerd moet worden 10 dagen na het ontstaan; dit in verband met de periode van genezing van het bloedvat in de oorschelp. Wordt dit oor niet op de juiste wijze behandeld, dan ontstaat een zeer pijnlijk schrompeloor. 

Alle honden kunnen een oorontsteking krijgen. Bij honden is het wel zo dat bepaalde rassen hier meer last van hebben dan andere. Bij honden, die veel buiten komen, is de oormijt een belangrijke oorzaak voor oorontstekingen. Het zijn kleine witte spinachtige insecten die leven van oorsmeer. Ze veroorzaken jeuk en zijn zo klein dat ze met het blote oog moeilijk zijn waar te nemen. Ze kunnen ook hevige jeuk aan kop en hals veroorzaken, die soms zelfs na bestrijding van de mijten nog enkele weken aanhoudt. Hiernaast zijn verschillende soorten bacteriën en gisten die ook graag in de gehoorgang leven en daar voor problemen zorgen (warm, vochtig en voedsel) 

Een oorontsteking laat zich eenvoudig vaststellen. Het dier flappert met zijn oren of krabt eraan en piept soms van de pijn en heeft dan vaak ook zijn kop scheef. De binnenkant van de oorschelp is rood en vies. Bovendien kan het zeer onaangenaam ruiken en het oor kan 'lopen'. 
Bij een middenoorontsteking kan het evenwichtsorgaan aangetast worden; dan zijn de klachten ernstiger. 
Het dier loopt vaker met de kop scheef en kan evenwichtsstoornissen krijgen en loopt dan vaak kringetjes of valt zelfs om. 
Bij ieder dier met een oorontsteking is goed onderzoek van belang. De dierenarts zal moeten kijken of er sprake is van een besmetting met oormijt en/of een infectie door bacteriën en/of schimmels van de gehoorgang of dat er iets anders aan de hand is. Soms is aanvullend onderzoek nodig. Hierbij kunnen we denken aan een uitstrijkje of een kweek van het oorsmeer, maar ook aan röntgenfoto's van de schedel.

Bij een oormijtinfectie kunt u met oorzalf met een insecticide erin, goede resultaten boeken. Bij infecties met bacteriën of gisten zijn antibiotica of anti-schimmelhoudende zalven nodig. Is de gehoorgang erg vies, dan spoelen we eerst - onder een lichte verdoving - de oren uit. Eventueel kunnen we bij dieren die veel last hebben pijnstillers of jeukonderdrukkende tabletten meegeven om de pijn en de jeuk te verlichten. 
Bij een middenoorontsteking is een (langdurige) behandeling met antibiotica noodzakelijk. 
Dieren met steeds terugkerende of chronische ontstekingen kunnen een dichtgewoekerde gehoorgang krijgen. 
Op gezwellen en vreemde voorwerpen moet gecontroleerd worden, want door zo'n afsluiting of een beschadiging van het trommelvlies kunnen ze meer of minder doof zijn. 
Deze woekeringen zijn operatief te verwijderen. Daarbij leggen we een gedeelte van de uitwendige gehoorgang open om ruimte te krijgen waardoor er ook meer ventilatie in het oor komt, zodat de ontstekingen drastisch verminderen. 
Deze operatie passen we ook toe bij chronische oorontstekingen. De gehele gehoorgang verwijderen we alleen in uiterste noodzaak als laatste redmiddel bij hopeloze gevallen. De hond wordt dan helaas doof. 


Patella Luxatie
Patella is de officiële naam voor de knieschijf. Een patellaluxatie betekent dus een verschoven knieschijf. Er zijn verschillende vormen van luxaties. 
De meest voorkomende is de luxatie naar mediaal, d.w.z. naar de binnenzijde. We zien dit vaak bij honden van de kleine rassen. 
De luxatie naar lateraal, waarbij de knieschijf aan de buitenzijde voelbaar is zien we soms bij de grote rassen, vaak in combinatie met een draaiing van het dijbeen. Deze laatste vorm is zeldzaam. Hierna zullen we het daarom alleen hebben over de luxatie naar mediaal. 

Het kniegewricht is de verbinding tussen dijbeen en scheenbeen. Aan de voorzijde onderaan het dijbeen loopt een sleuf waar de knieschijf doorheen glijdt. Aan boven en onderzijde van de knieschijf zit de kniepees die op haar beurt weer vastzit aan een beenkam bovenaan, voorop het scheenbeen. 
Bij sommige honden is de sleuf in het dijbeen te ondiep en zit de aanhechting van de kniepees wat te ver naar binnen. De knieschijf kan dan gemakkelijk uit z'n sleuf naar binnen schieten (afglijden). Als dit gebeurt spreken we van een patella-luxatie.

De klachten van de hond hangen af van de ernst van de luxatie. We kennen verschillende vormen; 
Als de knieschijf er slechts af en toe afschiet, spreken we van een habituele patella subluxatie. Honden die dit hebben, lopen af en toe een paar passen met een poot opgetrokken. De knieschijf is alleen op dat moment van zijn plaats geschoven. Na een paar stappen schiet hij weer terug en de hond loopt normaal verder. 
Wanneer de knieschijf er vaker afligt en slechts af en toe terugspringt, spreken we van een stationaire (sub)luxatie. Deze honden hebben problemen met overeind komen en lopen. Ze gaan met hun achterpoten met O-beentjes (een soort kikkerpas) lopen. De hond heeft hier zelf behoorlijk last van. 
De ergste vorm is wanneer de knieschijf er totaal afligt en ook niet meer op z'n plaats is terug te leggen. Deze dieren kunnen niet normaal staan en moeten als het ware roeien met hun achterpoten om vooruit te komen. Soms lopen ze alleen op hun voorpoten!! 
Bij onderzoek moet niet alleen naar de ligging van de knieschijf gekeken worden maar ook naar de stand van het dijbeen. Verder zijn de kromming van de beenkam op het scheenbeen en de diepte van de sleuf in het dijbeen van belang. Ook zien we in combinatie met een patella luxatie nog wel eens andere knieproblemen zoals gescheurde kruisbanden of extra gewrichtsslijtage. 

Dieren met een patella subluxatie, waarbij de knieschijf maar heel af en toe luxeert hoeft niet perse geopereerd te worden. Als de knieschijf vaker van zijn plaats schiet, of zelfs permanent verkeerd ligt moet er worden ingegrepen. 
De enige manier is operatief. Bij een subluxatie is het vaak voldoende om de aanhechting van de kniepees een stukje te verplaatsen. 
Dit gebeurt door de beenkam bovenaan bet scheenbeen los te maken en op de correcte plaats weer vast te zetten. 
Als ook de sleuf in het dijbeen (knie) te ondiep is moet deze worden uitgediept. Vroeger gebeurde dit door in het dijbeen een nieuwe sleuf te frezen. Nadeel hiervan was dat het gewrichtskraakbeen onherstelbaar beschadigd werd. Daarom kiezen we nu liever veer technieken waarbij dit kraakbeen zoveel mogelijk gespaard blijft. 
Hiernaast wordt het gewrichtskapsel strakker aangetrokken zodat de knieschijf beter op z 'n plaats blijft liggen. 
De behandeling van dit knieprobleem verschilt dus van geval tot geval en is afhankelijk van de ernst van de aandoening. 

Erfelijkheid
De aandoening is erfelijk. Het is daarom raadzaam niet te fokken met dieren met een duidelijke luxatie. De precieze wijze van overerving is niet bekend, maar zal waarschijnlijk op meerdere factoren berusten, net zoals b.v. bij heupdysplasie. 
Afgezien van een gericht fokprogramma is er geen manier om luxaties te voorkomen. Traplopen, springen en dergelijke hebben geen directe invloed op het ontstaan van een luxatie. 


Tandsteen
Tandsteen is de benaming voor de bruine aanslag die we op het gebit van onze dieren kunnen aantreffen. Het bestaat uit resten voedsel, zouten uit het speeksel en afgestorven bacteriën. Voor ons is het meest opvallende verschijnsel een onfrisse adem en een vies gebit.

Tandsteen wordt gevormd op het glazuur van het gebit, vooral op de overgang van tand naar tandvlees. Het werkt zich als een wig onder het tandvlees. Bacteriën kunnen zich hierdoor onder het tandvlees nestelen. Het tandvlees raakt ontstoken en de wortels van tanden en kiezen komen bloot te liggen. Het gebit komt hierdoor los te zitten. Door deze ontsteking in de mondholte gaat uw dier onaangenaam ruiken uit zijn bek. Ondanks al deze narigheid hebben de dieren niet snel problemen met kauwen, tenzij ook de grote scheurkiezen aangetast zijn. 
Soms kunnen bacteriën die uit een ontstoken mond het lichaam binnen dringen elders klachten geven. Berucht hierbij zijn tussenwervelschijf, nier en hartklep ontstekingen. 

Ernstige gevallen verraden zich door een slechte adem. In een eerder stadium is het zaak het gebit te inspecteren. De enige manier van behandelen bestaat uit het verwijderen van het tandsteen. Bij onze huisdieren moet dit doorgaans onder sedatie gebeuren. Ze laten anders niet toe dat het hele gebit goed schoon wordt gemaakt. Het schoonmaken gebeurt met dezelfde instrumenten welke de tandarts gebruikt, daarnaast wordt er gebruik gemaakt van een trilapparaatje. Als het gebit goed schoon is wordt er beoordeeld of er eventueel elementen getrokken moeten worden. Ook wordt er bekeken of een antibioticakuur nodig is om de ontsteking van het tandvlees te genezen. 

Hard voer. Zacht voer bevordert de vorming van tandsteen. Het kauwen op hard voer gaat tandsteen juist tegen. Er zijn aanwijzingen dat met speciaal voer de vorming van tandsteen nog beter bestreden kan worden. 


Vettumoren
Vetbulten komen veel voor. Het zijn tumoren die voornamelijk uit vet bestaan. Het zijn er vaak meerdere en je kunt ze op verschillend plaatsen tegenkomen. Ze zijn bijna altijd goedaardig. 

We vinden ze voornamelijk bij honden op oudere leeftijd. Meestal bevinden ze zich net onder de huid op de borstkas of buikwand. Soms zitten ze op de poten. In uitzonderlijke gevallen kunnen ze ook op andere plaatsen voorkomen zoals in de borstkas. 

Een tumor is een hoopje cellen die zich niet houden aan de normale regels voor de groei van cellen. Normale cellen groeien totdat ze een boodschap krijgen van het lichaam dat ze moeten stoppen. Tumorcellen luisteren niet naar deze boodschap en blijven maar doorgroeien en doorgroeien. 
Tumoren kunnen worden verdeeld in 2 groepen: De eerste groep zijn de goedaardige tumoren. Deze tumor groeit langzaam, blijft op een plaats zitten en beschadigd geen organen in zijn omgeving door er doorheen te groeien. De andere groep bestaat uit de kwaadaardige tumoren. 
Kwaadaardige tumoren vreten zich door het omringende weefsel heen. Doordat er kleine stukjes tumor kunnen loslaten verspreiden deze tumoren zich langzaam door het lichaam. Daar kunnen dan soms weer nieuwe tumoren  uit groeien. Een kwaadaardige tumor noemen we kanker. 
Vettumoren zijn eigenlijk bijna altijd goedaardig. Hoewel ze soms op meerdere plaatsen tegelijk aanwezig zijn hoeven dus niet bang te zijn voor uitzaaiingen. 

Als een bult wordt onderzocht wordt er gelet op grootte, vorm, verplaatsbaarheid en stevigheid. 
Vaak wordt er daarna met een naald wat weefsel uit de knobbel gezogen om onder een microscoop te kijken of het inderdaad voornamelijk vet is. Indien er twijfel bestaat over het opgezogen materiaal, dan wordt het materiaal in overleg met de opgestuurd voor een second opinion door een cytoloog. Een cytoloog is iemand die gespecialiseerd is in het beoordelen van cellen. Hij zal dus met nog grotere betrouwbaarheid kunnen vaststellen of het een goedaardige vettumor betreft. 

Omdat bijna alle vettumoren goedaardig zijn, wordt er meestal besloten om de vetbult met rust te laten. Er zijn echter enkele redenen om de bult toch te verwijderen. Als een van de onderstaande criteria bij de vetbult van de hond past dan moeten de bult toch verwijderd worden. 

Als de bult erg snel groeit.

Als de bult, na een hele tijd dezelfde grootte te hebben gehad, opeens weer gaat groeien.

Als de bult opeens duidelijk van vorm of hardheid verandert (bijvoorbeeld een mooie ronde bult wordt opeens knobbelig).

Als de bult de hond belemmert in zijn bewegingen (bijvoorbeeld een grote bult in de oksel van de hond).

Als de bult op een plaats zit waar het bijna onmogelijk wordt om hem te verwijderen als hij groeit (bijvoorbeeld een bultje op de voet).

Als de hond er veel aan bijt, likt of schuurt waardoor de bult kan gaan bloeden of geïrriteerd raakt.


Voorhuidontsteking
Voorhuidontsteking (of balanopostitis in vaktaal) is een veel voorkomend probleem bij reuen. 
De reu verliest hierbij steeds enkele druppeltjes pus uit z'n geslachtsopening. De hond zelf heeft er nauwelijks hinder van, maar zijn omgeving vaak des te meer. 

De oorzaak is een infectie van de voorhuid. Dit treedt heel makkelijk op omdat de omstandigheden binnen de voorhuid ideaal zijn voor een kwaadwillende bacterie. Het is er warm, vochtig en ook aan voedsel in de vorm van urine is er geen gebrek. 

Voorhuidontsteking zien we bij geslachtsrijpe reuen van alle rassen en alle leeftijden. Bijna alle reuen hebben er af en toe last van, maar bij sommigen neemt het echt hinderlijke vormen aan. 

Het is niet moeilijk om vast te stellen of een reu een voorhuidontsteking heeft. Een blik op z'n geslachtsdeel is meestal voldoende om te weten hoe het ervoor staat. Bovendien verraadt de patiënt zich door een spoor van pusdruppeltjes achter te laten. 

De behandeling bestaat uit het bestrijden van de infectie. Dit kan door in de voorhuid desinfecterende vloeistof of zalf aan te brengen (de z.g. voorhuidcleaners) of door een penicilline kuur. Ook zijn er wat homeopathische middelen tegen. Als bijkomende behandeling kan de hond ook tijdelijk "chemisch gecastreerd" worden. Hiervoor krijgt hij een injectie met een hormoon dat de invloed van zijn eigen hormonen tijdelijk onderdrukt. Het vervelende is alleen dat na het stoppen van de behandeling de klachten vroeg of laat weer terugkeren. Als laatste mogelijkheid is er nog het castreren van de hond. Dit is in ruim 85 % van de gevallen voldoende om de kwaal definitief te verhelpen. In de overige 15 % worden de klachten meestal wel veel minder.